Nieuwsbrief

Sinds 2020 schrijf ik zo nu en dan een nieuwsbrief met sportverhalen. Omdat de verhalen nergens meer terug te vinden waren, heb ik besloten om ze hier te plaatsen. Wil je je toch abonneren? Ga dan naar tinyletter.com/micheldoodeman

Wilde honden, rattengif en een bijna overleden atleet: dit was de Olympische marathon van 1904

De Olympische Spelen in St. Louis in 1904 waren om onnoemelijk veel redenen die waarschijnlijk een eigen artikel verdienen vrij uitzonderlijk. Om maar twee voorbeelden te noemen: een atleet met een houten been (George Eyser) won zes medailles als gymnast en touwtrekken was een officiële sport – of er van tevoren ook hotdogs gegeten werden en er een springkussen aanwezig was om de heilige kinderverjaardag-drie-eenheid compleet te maken, is onduidelijk.

Het vreemdste evenement op de Spelen in 1904 is zonder twijfel de marathon. Het is heet, bloedheet, op 30 augustus 1904 in St. Louis. Op het moment dat de marathon begint, is het ongeveer 32 graden. Als je ooit hebt gevoetbald of gebasketbald in de zomer, weet je hoe warm dat kan zijn, maar een marathon in die omstandigheden lopen is nog veel lastiger. Los daarvan is de weg bezaaid met stof en stenen. Hoe zwaar het is om een marathon te lopen op een parcours dat de temperatuur van een kookplaat heeft aangenomen, weten sommige deelnemers niet, simpelweg omdat ze nog nooit een marathon gelopen hebben.

Het deelnemersveld bestaat uit onder anderen Amerikanen, een aantal Grieken, een voormalig postbode uit Cuba – later meer over hem – en twee Zuid-Afrikanen, die volgens de overlevering allebei op blote voeten liepen, hoewel slechts één van de hen op een foto ook daadwerkelijk blootvoets te zien is. 

Een van de deelnemers is Fred Lorz, een metselaar en getalenteerd atleet, en bovendien een man die houdt practical jokes. Hij is de Spaßvogel van de marathon, iemand die waarschijnlijk, als hij in 2021 zou leven, een semi-populair YouTube-kanaal met pranks voor kinderen zou beginnen. Na een kilometer of negen is hij echter vooral de man die een brandende kramp in zijn benen heeft en zich voelt alsof z’n lichaam zich binnenstebuiten heeft getrokken. Hij beseft dat het geen zin heeft om verder te lopen, geeft op en stapt in een auto die hem naar huis kan brengen.

Onderweg zwaait Lorz af en toe naar collega-marathonlopers en toeschouwers. Hij is niet de enige kanshebber op goud die al snel opgeeft: ook John Lordan moet noodgedwongen stoppen. Na een kilometer of zestien staat hij voorovergebogen te braken langs de kant van de weg, door de hitte, en het stof en vuil dat hij heeft ingeademd door alle voorbijrazende auto’s die over de weg rijden.

Alsof de (weers-)omstandigheden nog niet zwaar genoeg zijn, is er nog een extra hindernis: er zijn maar twee waterpunten aanwezig op het parcours van veertig kilometer. Dat is verrassend genoeg geen gevolg van incompetentie van de bedenkers van dit helse sportevenement, maar een doordachte keuze: official James E. Sullivan deed onderzoek naar ‘purposeful dehydration’. De centrale vraag: gaan sporters beter presteren als ze compleet uitgedroogd zijn?

Sullivan kon zich beroepen op z’n wetenschappelijke plicht om aannames te verifiëren met keiharde feiten, maar hé, met de kennis van nu is het een vrij krankzinnig experiment om uit te voeren tijdens een marathon als de temperatuur ver boven de 30 graden zit. Weet je wat: met de kennis van toen was het ook al een vrij krankzinnig experiment.

In de geest van dit sportevenement waarin alles spectaculair verkeerd gaat is het waarschijnlijk onnodig om dit nog te vermelden, maar toch maar even voor de administratie: veel atleten waren niet gewend aan het water en kregen last van hun maag na het drinken.

Deelnemer Thomas Hicks is niet de beste atleet van het stel, zeker niet, maar lang lijkt het erop dat hij misschien wel de beste vorm van iedereen heeft. Op dit punt is het belangrijk om te benoemen dat Hicks twee begeleiders heeft, een van hen heet Charles J.P. Lucas. Hij zou later een boek schrijven over de Spelen van 1904, waarmee hij een uitstekende bron voor dit artikel is. Helaas voor Hicks is Lucas ook niet bepaald het scherpste mes in de keukenla, zo destilleren we uit het boek. Op ongeveer vijftien kilometer van de finish is Hicks uitgeput en uitgedroogd, zijn gezicht is bleek, hij ziet eruit alsof hij elk moment kan instorten. De Amerikaan smeekt bij zijn begeleiders om wat te drinken, maar krijgt het niet. In plaats daarvan denken z’n begeleiders, om redenen waar ik slechts naar kan gissen, dat het een beter idee is om Hicks alleen wat desinfecterend water te geven om zijn mond mee te spoelen. Hij strompelt verder richting de finish.

Ver achter Hicks loopt de onbetwiste held van dit verhaal: Félix de la Caridad Carvajal y Soto, beter bekend als Andarín Carvajal, de Cubaanse postbode. Hij is een ietwat cartoonesk figuur, een tengere, kleine man met een kunstzinnige snor en wenkbrauwen die permanent omhoog staan, alsof hij net iets verbazingwekkends heeft gehoord. Carvajals reis naar St. Louis verliep moeizaam: hij kwam terecht in New Orleans, waar hij de verleidingen van de stad maar moeilijk kon weerstaan. Hij leefde voor heel even als een koning en verbraste in korte tijd al z’n geld met gokken, waardoor hij geen cent meer over had om naar St. Louis te komen en liftend en wandelend z’n weg naar de Spelen moest vervolgen.

Toen hij aankwam in het bloedhete St. Louis en zich net op tijd naar de start van de marathon begaf, zag hij dat vrijwel iedereen een mouwloos shirt en een korte broek droeg, omdat, nou ja, het dus bloedheet was. Carvajal had zijn postoutfit nog aan: een deftige baret op zijn hoofd, een shirt met lange mouwen, een door een riem opgehesen broek en stevige, warme schoenen. Een andere deelnemer knipte voor hem de lange broekspijpen een stukje af, zodat de Cubaan iets meer leek op een marathonloper en iets minder op een figurant in Peaky Blinders.

Carvajal blijkt een uitstekende atleet te zijn, maar verliest veel tijd doordat hij steeds stopt om in gebroken Engels te praten met toeschouwers langs de kant. De marathon is voor hem slechts een hinderlijke bijkomstigheid van zijn Amerikaanse avontuur waarvan het doel niet helemaal duidelijk is. In zijn boek schrijft Lucas dat Carvajal op een gegeven moment langsloopt en hem vraagt om een van de perziken die hij aan het eten is. Als Lucas weigert, pikt de Cubaan er ‘playfully’ twee en rent hij weg. Later ziet hij een boomgaard en besluit een paar appels te eten, niet wetende dat ze rot zijn. Hij krijgt – niet als eerste of laatste – last van z’n maag en zoekt – wel als eerste en laatste – een rustig plekje op om een dutje te doen en te herstellen.

Ondertussen is Hicks een paar kilometer later helemaal gesloopt. Pas nu, op het moment dat hij echt niet verder kan, besluiten zijn begeleiders hem weer iets te geven. Ieder rationeel mens zou gaan voor wat water, een banaan, desnoods iets zoets voor een energieboost, maar tijdens de Olympische marathon van 1904 worden weinig rationele beslissingen genomen. Hicks’ begeleiders besluiten hem eiwit en een heel klein beetje strychnine toe te dienen.

Strychnine wordt in die tijd soms gebruikt om voor een opwekkend effect te zorgen. Klinkt goed, zou je denken, niets meer aan doen, maar strychnine wordt naast verkapte doping ook gebruikt in… rattengif. Oh ja, en van te veel strychnine ga je dood.

Het had vrij weinig gescheeld, of de marathon op de Olympische Spelen van 1904 had trouwens een niet-strychnine gerelateerde dode opgeleverd. Tijdens een sporttoernooi waar er wordt geschoten, geschermd en met een massieve, metalen kogel wordt gesmeten is de marathon niet per se het evenement waar je verwacht dat je bloed ophoestend langs de kant van de weg ligt, maar het kan gebeuren, zo ontdekt William Garcia. Het inademen van een overdosis stof en gassen zorgt ervoor dat hij lijdt aan een maagbloeding, die hem fataal had kunnen worden als hij later gevonden was. Ook Sam Mellor, die eerder de marathon van Boston heeft gewonnen en halverwege eerste stond, heeft inmiddels opgegeven. De marathon is een slagveld geworden.

Rond hetzelfde punt, zo’n tien kilometer van de finish, staat Fred Lorz stil op de weg. Autopech. Hij voelt zich een stuk beter nu de kramp is verdwenen en hij kilometerslang in de auto heeft gezeten, en krijgt een briljant idee: wat nou als hij, puur voor de grap, weer verder rent en doet alsof er niets aan de hand is? Grijnzend en uitgerust begint hij aan zijn triomftocht. Als een paar mensen langs de kant vragen of hij van de weg wil gaan omdat hij al gediskwalificeerd is, roept Lorz dat hij rent omdat hij snel thuis wil zijn.

Zo’n acht kilometer van de streep kan Hicks niet meer. Hij smeekt om even op de grond te mogen liggen, maar zijn begeleiders weten dat de atleet dan waarschijnlijk voorlopig niet meer omhoog komt. Dus moet hij door. Opeens ziet hij iemand in z’n ooghoek: zonder ook maar een zweetdruppel op z’n voorhoofd haalt Fred Lorz, de man die de halve marathon in een auto heeft gezeten, de compleet geknakte Hicks in, die nu vrij zeker weet dat hij niet meer bij zinnen is.

Hicks’ gezicht is asgrauw, hij wandelt nu. Z’n begeleiders overleggen even en gaan over tot grover geschut: twee eieren, een klein beetje extra strychnine en brandy. Alsof je iemand die klaagt over vermoeidheid een elektrische schok geeft in plaats van een banaan en een paar Dextro’s. De combinatie van eieren, min-of-meer-rattengif en alcohol voelt voor je lichaam alsof je in een opgevoerde draaimolen zit terwijl iemand herhaaldelijk heel hard in je maag slaat – tenminste, ik heb het nooit geprobeerd, maar zo stel ik het me voor.

Na de waarschijnlijk vrij giftige cocktail krijgt Hicks wat warm water over zich heen gegooid. Even lijkt hij weer op te leven, hij schudt het water van zich af en rent verder.

De opleving duurt kort; een paar kilometer later hallucineert Hicks. Hij beweegt nog, mechanisch, meer uit automatisme dan uit noodzaak. Hij ziet dingen die er niet zijn en voelt dingen die er wél zijn niet meer. Als hij de verkeerde kant op zou lopen, richting de start, zou hij het waarschijnlijk niet eens doorhebben. Meer dood dan levend gaat hij verder richting de finish.

Iedereen kent dat moment dat je een grap te lang door laat gaan. Fred Lorz maakte zo’n moment mee toen hij als eerste over de finish kwam. Op dat moment had hij nog kunnen zeggen dat hij eigenlijk meer dan de helft van de marathon in een auto had gezeten, maar dat deed hij niet. Toen hij zich eenmaal had laten feliciteren wist hij dat het te laat was. Er was geen weg meer terug, hij zou de rest van z’n leven moeten doen alsof hij de zwaarste marathon ooit fluitend was doorgekomen terwijl achter hem links en rechts mannen neervielen langs de kant van de weg.

Als Hicks het stadion binnenstrompelt – moe, gedrogeerd, twijfelend of z’n lichaam of geest harder verpulverd is vandaag – ziet hij Lorz staan bij Alice Roosevelt (de dochter van president Theodore Roosevelt). Hij ziet een gouden medaille en een krans die bestemd zijn voor Lorz.

Voor de zoveelste keer denkt hij dat hij gek wordt.

Net voordat Lorz de medaille omgehangen krijgt, krijgen de officials via via door wat er gebeurd is. De waarheid – dat de winnaar van de marathon meer bandensporen dan voetstappen op het parcours heeft achtergelaten, als een soort Transformer – lijkt onwaarschijnlijk, maar meerdere ooggetuigen hebben het gezien. Uiteindelijk wordt Thomas Hicks de verfomfaaide winnaar van de Olympische marathon van 1904.

De rest van de dag druppelen de overige deelnemers langzaam binnen. Ze hebben, zonder enige uitzondering, een zware dag gehad. Postbode Carvajal wordt ondanks alle stops vierde, de Zuid-Afrikaan Len Taunyane eindigt teleurstellend als negende, maar dat komt ook omdat hij onderweg op een gegeven moment achtervolgd werd door wilde honden en van zijn koers moest afwijken.

De Olympische marathon van 1904 heeft meerdere negatieve records opgeleverd die waarschijnlijk nooit meer verbroken zullen worden. Tot op de dag van vandaag is de tijd van winnaar Hicks (3:28:53) veruit de slechtste tijd van een Olympische marathonwinnaar ooit. In de jaren daarna zijn er bovendien nooit meer zoveel deelnemers uitgevallen. Maar bovenal is het de editie waarin een experiment met uitdroging, rattengif en extreme hitte op het grootste sporttoernooi ter wereld werd uitgevoerd.

De twee lichamen van Diego Maradona

(29 november 2010)
Het is alweer een tijdje geleden dat ik voor het laatst een nieuwsbrief stuurde (in de tussentijd maakte ik wel een aantal voetbalverhalen voor VICE Sports en NRC) en in verband met een paar andere projecten was ik eigenlijk ook niet van plan om deze week iets te schrijven, maar het overlijden van een van de grootste voetballegendes ooit is groter dan elke vorm van tijdgebrek.

Toen ik thuis over Diego Maradona’s dood las – de ‘waar was je toen…’-vraag is ernstig gedevalueerd door corona, natuurlijk was ik thuis, net als iedereen, we zijn allemaal de hele dag thuis; het is koud en donker buiten en alle leuke plekken zijn gesloten – voelde ik me ietwat terneergeslagen. Tegelijkertijd geneerde ik me daar voor: ik heb Maradona nooit ontmoet of live zien spelen, ik ben geen Argentijn en heb Napels zelfs nog nooit bezocht. Google Maps leert me dat ik nooit dichter dan acht kilometer bij hem in de buurt ben geweest (toen hij in 2005 als vice-voorzitter van Boca Juniors de Amsterdam ArenA bezocht).


Toch zijn er genoeg redenen om droevig te worden van Maradona’s dood, los van het feit dat het altijd zonde is als iemand zijn lichaam jarenlang zodanig over elke mogelijke grens heen heeft gejaagd dat mensen verrast zijn dat hij ‘nog’ tot zijn 60e heeft geleefd. Eric Cantona plaatste op Instagram een foto van Maradona met Johan Cruijff en schreef iets interessants: “Johan Cruyff, now Diego Maradona. The football I love does not exist anymore.”

Persoonlijk denk ik dat Cantona daarmee de essentie raakt van waarom de dood van de Argentijnse legende ook voor jonge mensen betekenis heeft; het voelt alsof Maradona, net als bijvoorbeeld Cruijff en George Best, onderdeel is van een ‘andere’ vorm van voetbal. Gevoelsmatig was Maradona zowel binnen als buiten het veld compleet vrij, onafhankelijk en onvoorspelbaar – ik schrijf bewust ‘gevoelsmatig’, omdat voetbal een teamsport is en je je altijd op de een of andere manier moet conformeren aan het team, anders speel je een andere sport óf staan er drie ploegen op het veld. Die onafhankelijkheid, gecombineerd met zijn talent, grenzeloze creativiteit en het aura dat om hem heen hing, lijk je weinig meer te zien tegenwoordig. Of dat ook echt zo is, doet er eigenlijk niet toe. Het gaat erom dat het zo voelt, zelfs al weten we dat nostalgie ons zicht troebel maakt.

Goed, het is een lange inleiding voor een kort verhaal. Toen ik deze week Maradona’s Wikipediapagina las, zag ik de naam Textil Mandiyú voorbijkomen. Het is de eerste club waar hij trainer is geweest, nog tijdens zijn carrière als speler. Het is een wonderlijk, kort en onderbelicht hoofdstuk in zijn leven.

Toen Maradona in 1994 tijdens het WK werd gepakt op het gebruik van het verboden middel efedrine, kreeg hij een schorsing van vijftien maanden. Vijftien maanden geen voetbal. Geen volle stadions, geen trainingen, geen wedstrijdspanning, niks. Tenminste, dat dachten ze bij de FIFA. De reglementen schreven namelijk niet voor dat de Argentijn niet actief zou mogen zijn als trainer.

Club Social y Deportivo Textil Mandiyú, beter bekend als Textil Mandiyú, is in de jaren ’50 opgericht door medewerkers van een textielfabriek in Corrientes. In 1994 werd de club overgenomen door Roberto Cruz en Roberto Navarro, die van plan waren om de vereniging naar grote hoogten te stuwen. Ze wilden Textil Mandiyú in één klap bekendheid geven en waren op zoek naar een manier om de club mateloos populair te maken.

Enter Diego Maradona.

Niet veel later zette Pelusa, samen met Carlos Fren, die officieel de hoofdtrainer werd omdat Maradona geen trainersdiploma had, in een hotel in de provincie Corrientes zijn handtekening onder een contract van Textil Mandiyú. Bij aankomst op de luchthaven werd hij verwelkomd door zo’n vijfhonderd dolenthousiaste supporters. De opzienbarende move kreeg veel internationale aandacht, zelfs een Britse cameraploeg reisde af naar Corrientes om een flard van Maradona’s magie in beeld te brengen.

Diego’s komst naar Corrientes was symbolisch: in veel opzichten was het een terugkeer naar zijn roots. Zijn vader, bekend als Don Diego, groeide op in de provincie Corrientes voordat hij naar Buenos Aires verhuisde. Dat Diego junior bij Textil Mandiyú aan de slag ging, betekende ook dat hij meer tijd met zijn familie – en in het bijzonder zijn vader, die hem regelmatig opzocht – zou besteden. Veel Argentijnen zagen het als een bewuste keuze voor rust en bezinning, na vele succesvolle, maar turbulente en benauwende jaren.


Dat er van rust geen sprake zou zijn, werd direct duidelijk bij Maradona’s eerste wedstrijd bij Textil Mandiyú, in oktober 1994. Omdat de 33-jarige Diego nog geen trainerspapieren had, moest hij het duel tegen Rosario Central vanaf de tribune bekijken, naast zijn broer Lalo. Voor de wedstrijd toonden de supporters een groot spandoek, met de tekst: ‘Welkom Diego’. De spanning en opwinding waren voelbaar in het volgepakte stadion, alleen al de fysieke aanwezigheid van Pelusa was genoeg om duizenden mensen onder stroom te zetten. Maradona zag eruit als een trainer – hij droeg een wit overhemd met opgestroopte mouwen en een fleurige stropdas – maar gedroeg zich als een fanatieke fan: hij schreeuwde veelvuldig, schold op de scheidsrechter en trapte wild tegen de hekken. Na de met 2-1 verloren wedstrijd werd hij, zoals altijd, omringd door hectiek en flitsende camera’s.

Buiten het veld zocht Maradona regelmatig de rust op: hij toog vaak ’s middags, na de training, met zijn vader naar de Paraná-rivier om op dorado’s te vissen. Ook barbecuede hij veel, waarmee hij in de voetsporen van Maradona senior trad, een befaamd barbecuemeester. Na de dood van Don Diego schreef The Guardian: “A quiet man, Don Diego occasionally arranged asados, or barbecues, for the Argentinian national team, even on tours such as the 1986 World Cup triumph in Mexico.” ’s Mans barbecues waren zo legendarisch dat ze zijn necrologie hebben gehaald.

Buiten de lijnen ging het crescendo, op het veld waren er talloze problemen. Textil Mandiyú – met Sergio Goycochea, de doelman van het nationale elftal, in de gelederen – won slechts één wedstrijd onder Maradona. Ook toen de trainer eindelijk in de dug-out mocht plaatsnemen verbeterden de prestaties nauwelijks. Bovendien waren er spanningen in de kleedkamer omdat de spelers niet betaald kregen.

Er zijn prachtige foto’s van Maradona aan de zijlijn in Corrientes. Hij droeg een grote oorbel, een glimmend horloge en een stropdas met een hallucinant patroontje. Zijn donkere krullenbos was strak naar achteren gekamd, zoals hij dat ongetwijfeld bij andere trainers had gezien. Het is duidelijk dat hij een voetballer was die acteerde een manager te zijn, alsof hij in zijn vrije tijd te lang naar compilaties van de persconferenties van Co Adriaanse had gekeken.


Misschien juist daardoor kon hij goed overweg met de spelers, net als met de andere medewerkers van de club. Hij stond niet al te ver boven hen, maar was als een familielid. Een legendarisch, ontzagwekkend familielid, welteverstaan. Hij nodigde de spelers uit om door hemzelf gevangen en gebakken vis te komen eten en kocht twee splinternieuwe wasmachines voor de wasvrouw van de club, zodat ze de shirtjes niet meer met de hand hoefde te boenen.

Uiteindelijk mislukte het project faliekant. Maradona moest als eindverantwoordelijke een ontsporende trein richting het station weten te krijgen, terwijl hij normaal gesproken juist degene was die de trein liet ontsporen. Degradatie lag in het verschiet. Na twee maanden, die gekenmerkt werden door onbetaalde salarissen, schulden en gebroken beloften, nam de Argentijn afscheid. De druppel was de bemoeienis van de eigenaar, Roberto Cruz. “Cruz stapte de kleedkamer binnen en in de kleedkamer heb ik de leiding”, zei Maradona bij zijn vertrek.

Na zijn korte, maar intensieve eerste stappen in de trainerswereld had Pelusa ervoor kunnen kiezen om uit de spotlights te treden. In plaats daarvan werd hij niet lang daarna trainer bij Racing – een met akkefietjes gevulde periode – en keerde hij in 1995 als speler terug bij topclub Boca Juniors. Het door schulden geteisterde Textil Mandiyú degradeerde uiteindelijk en ging, op het moment toen Maradona weer voetballer was, failliet.


Nu, in 2020, is Diego Armando Maradona – ‘dieu’ of ‘dios’ zoals respectievelijk L’Equipe en El País hem noemden reken ik ook goed – niet meer, al is dat slechts deels waar. Of zoals journalist en antropoloog Marino Niola treffend zei: “Iemand als Maradona sterft niet. Het is als de oude koningen, die twee lichamen hadden: een fysieke en een publieke.” Maradona’s publieke lichaam zal eeuwig voortleven.

De beste voetballer ter wereld (in de kleedkamer)

(11 september 2020)
In elk voetbalelftal heb je verschillende rollen die vervuld moeten worden: je hebt een aanvoerder, waterdragers, volgers, temperamentvolle krijgers (dat is eigenlijk altijd Arturo Vidal), oudere leiders én spelers die ‘goed zijn in de kleedkamer’. Die laatste categorie heb ik altijd interessant gevonden: voetballers die min of meer gewoon leuk zijn om erbij te hebben en daar hun geld mee verdienen. Meestal zijn het spelers die sympathiek zijn, geen overlast veroorzaken en een leeftijd bereikt hebben waarop ze geen bedreiging vormen voor andere spelers. De beste spelers in de kleedkamer – de fine fleur van de omkleedcabine – zijn meestal de derde keepers op een eindtoernooi; selectieleden waarvan trainers vrij zeker weten dat ze toch niet gaan spelen maar met wie ze wel weken in een krap hotel moeten zitten. Natuurlijk kies je dan voor iemand die simpelweg gezellig is.

Een paar maanden geleden vroeg ik me af wie eigenlijk de beste speler ter wereld in het kleedlokaal is, de Messi van de Kleedkamer (en wie ooit een interview met Messi gezien heeft weet dat Messi zelf niet de Messi van de Kleedkamer is). M’n zoektocht liep al gauw spaak, er zijn geen award shows voor spelers die goed zijn voor het moraal en op Wyscout kan je ook niet zoeken op ‘gezelligheid’ als eigenschap. Kortom, het plan om de beste speler in de kleedkamer op te sporen leek me onbegonnen werk, totdat ik vorige week een nieuwsbericht zag dat direct het antwoord op mijn vraag gaf.

‘Inter Milan Goalkeeper Leaves After Six Years, Zero Appearances And Two Red Cards’.

Soms word je bij een zoektocht niet alleen op het goede spoor gezet, maar krijg je de routebeschrijving en een informatiefoldertje er ook nog gratis bij.

Keeper Tommaso Berni stond jarenlang bij Internazionale onder contract zonder ook maar een minuut op het veld te staan. Het aantal competitiewedstrijden dat hij tussen 2010 en 2020 speelde, is op twee handen te tellen. Toch kreeg hij steeds weer, elk jaar opnieuw, een nieuw contract aangeboden omdat hij ijzersterk in de kleedkamer is. Hij is de vleesgeworden morele boost, een Kool & The Gang Partymix CD in de vorm van een kale keeper.

Natuurlijk, er zijn wel meer spelers die jarenlang derde keeper zijn bij een grote club zonder veel wedstrijden te spelen, maar het verschil is dat Tommaso Berni deze rol vrijwel zijn gehele, negentien jaar durende carrière heeft vervuld. Hij keepte een paar jaar in de jeugd bij Inter, totdat hij gescout werd door Wimbledon. In Engeland zat hij steevast op de bank, bovendien werd hij in de beginperiode compleet genegeerd door zijn medespelers. Op een avond trakteerde hij de complete selectie op een Italiaanse maaltijd in een fancy restaurant in Londen, om het ijs te doen breken. Glazen wijn en dure pasta’s deden de ronde, het leven werd gevierd en Tommaso straalde, totdat hij de torenhoge rekening zag. Zijn ploeggenoten kregen medelijden met de jonge Berni en betaalden voor hem. Na die avond werd de Italiaan de lieveling van de groep. De score na zijn eerste twee jaar als prof: nul wedstrijden gespeeld, wel populair geworden.

Na zijn tijd in Engeland vertrok hij naar Ternana in de Italiaanse Serie B, waar hij een voor zijn carrière atypische periode beleefde: hij speelde er twee seizoenen als eerste keeper. Toen zijn ploeg degradeerde, werd hij gekocht door Serie A-club Lazio Roma, waarmee hij in de voetsporen trad van zijn vader. Fabrizio Berni speelde jarenlang als voorstopper in de hoogste divisie, een man met een klassieke, Italiaanse kop, met donkere wenkbrauwen die een etage zakten als er een spits in de buurt kwam.


Bij Lazio sleet Berni zijn dagen op de bank of tribune, afgezien van een half jaar waarin hij werd uitgeleend aan Salernitana. In de jaren daarna tekende hij bij Sporting Braga, Sampdoria en Torino, waar hij opgeteld een handjevol wedstrijden speelde. Ik heb er geen bewijzen voor, maar persoonlijk denk ik dat dit de periode was waarin Berni realiseerde dat hij niet meer hoefde te streven naar een basisplek omdat zijn karakter zijn grootste talent is. In 2012 verscheen een artikel waarin hij werd geroemd omdat hij zijn ploeggenoten voortdurend oppepte en lunches en diners organiseerde om het groepsgevoel te bevorderen. Er werd met geen woord gerept over zijn voetbalkwaliteiten, het verhaal had net zo goed over een HR-manager of een freelance bibliothecaris kunnen gaan.

Toen hij in 2014 hoorde dat Internazionale interesse in hem had, dacht hij dat zijn zaakwaarnemer een grap maakte. Van jongs af aan is Berni al supporter van Inter, het is zijn droomclub, in een alternatief universum – waarin hij niet zou kunnen keepen en bovenal minder gezellig zou zijn – zou hij vermoedelijk een seizoenskaart van de club hebben. De Milanezen waren op zoek naar een reservekeeper die telde als ‘homegrown’ speler, geen moeite had met bankzitten en ijzersterk was in de kleedkamer. Berni paste perfect in het plaatje en kreeg een eenjarig contract aangeboden.

De jaren daarna volgde een Groundhog Day-achtig scenario, elk seizoen verliep volgens exact hetzelfde ritme: Berni zat op de bank of tribune, trainde goed, speelde geen wedstrijden, maakte zich populair in de kleedkamer, organiseerde links en rechts wat etentjes en kreeg uiteindelijk een nieuw eenjarig contract aangeboden. Opnieuw, opnieuw, opnieuw, opnieuw, opnieuw. Hij behoorde tot het meubilair, net als de materiaalmannen en kantinemedewerkers.

Voor iemand die jarenlang bij een Italiaanse topclub heeft gespeeld, is er niet bijster veel over hem bekend. Tenminste, niet op voetbalgebied. Af en toe rolden er kleine brokjes informatie de kleedkamer uit, maar in de interviews die hij gaf ging het eigenlijk zelden over voetbal. Berni houdt van Guns N’ Roses en Pink Floyd, speelde gitaar (voordat hij zijn vinger brak), bezoekt soms tentoonstellingen, is fan van Valentino Rossi en trouwde in Kenia onder toeziend oog van leden van de Potok-stam.

Of hij beter werd op het trainingsveld, is niet bekend – sowieso rijst de vraag hoe je een scoutingsverslag of beoordeling maakt van iemand die sinds 2012 geen wedstrijd meer heeft gespeeld – maar voor het groepsgevoel werd hij steeds belangrijker; Berni groeide uit tot een soort mascotte van de ploeg, maar dan zonder dierenpak en allitererende naam (Berni de Beer?). Op het officiële YouTubekanaal van Internazionale staat een video met als titel TOMMASO BERNI PRANKS INTER STORE CUSTOMERS!, om maar aan te geven hoe multi-inzetbaar hij was als verlengstuk van de selectie naar de supporters.


Zijn laatste seizoen bij Inter werd de kroon op zijn werk, het magnum opus van een man die de dug-out en de kleedkamer als zijn territorium heeft geclaimd. Hij speelde, uiteraard, nul wedstrijden, maar kreeg twee keer (twee!) (keer!) een rode kaart. In één jaar. Als keeper. Op de bank.

De eerste rode kaart kreeg hij wegens een sarcastisch applausje richting de scheidsrechter na de wedstrijd, de tweede volgde een paar maanden later na het beledigen van de arbitrage tijdens een duel. Zelf weet Berni de kaarten aan het feit dat hij eigenlijk als ultra op de tribune hoorde te staan. ‘Ik ben twee keer weggestuurd tijdens wedstrijden omdat mijn ultra soul naar buiten kwam, aangezien ik erg gehecht ben aan m’n teamgenoten en het Inter-shirt.’ Dit was, denk ik, wat Acda en/of De Munnik bedoelden met ‘de gangmaker op het verkeerde feest’ zijn.

Het bijzondere is dat dit niet de eerste rode kaarten uit z’n carrière waren: in de Serie B werd de keeper eens van het veld gestuurd tijdens een wedstrijd en bij Sampdoria kreeg hij óók een rode kaart wegens protesten toen hij op de bank zat. Een van de weinige spelers die bij Berni’s rode kaarten-vanaf-de-bank-gemiddelde in de buurt komt is José Manuel ‘Hiphop’ Pinto (drie rode kaarten, één vanaf de bank), de oud-keeper van FC Barcelona die jarenlang bij elk opstootje in de regio Catalonië betrokken was en tegenwoordig Zumba lessen geeft in z’n eigen sportschool.

Toen het nieuws naar buiten kwam dat Berni Internazionale moest verlaten, trok er een donkere sluier over Milaan, het was alsof het einde van een tijdperk werd aangekondigd. Na zes jaar en nul wedstrijden werd het contract van de beste speler ter wereld in zijn categorie niet verlengd. Waarom is niet helemaal duidelijk, je zou zeggen dat je, Juist Nu™, best iemand kan gebruiken die het groepsgevoel op peil houdt, maar aan de andere kant is het in coronatijd financieel misschien niet helemaal verantwoord om een veredelde mascotte 200.000 euro per jaar te blijven betalen.

Zelf hoopt Tommaso Berni dat hij ergens kan blijven spelen (lees: bankzitten), misschien zelfs bij Inter. ‘Ik ben altijd een dromer geweest en hoop dat het gebeurt’, zei hij daar zelf over in een interview. Je gunt het hem, nog één jaar waarin hij met een plag gras op z’n kale hoofd en een gelukzalige grijns op z’n gezicht door de catacombe paradeert, als de koning van de kleedkamer in zijn natuurlijke habitat. Nog één jaar waarin hij lacht, drinkt en motiveert. Kortom: nog één jaar waarin hij de beste voetballer ter wereld is (in de kleedkamer).

De beste ‘oud-Ajacied’ die niemand ooit gezien heeft

(22 augustus 2020)
Het is een warme zomerdag in 2012 als de Australische zaakwaarnemer Lou Nesci een mail krijgt van ene Dimitri Kascovic, een Europese collega die hij niet kent. Kascovic schrijft over een goede, transfervrije speler die naar Australië wil komen, een jongen met veel potentie. Nesci leest de mail maar registreert de boodschap niet helemaal, dit soort berichten krijgt hij wel vaker en meestal gaat het om een welwillende amateur met een overambitieuze zaakwaarnemer en te veel tijd. Hij veert pas op als hij ziet waar de getalenteerde voetballer eerder gespeeld heeft: Ajax, Valencia en River Plate. Dexter Rosales heet hij, een onvergetelijke naam voor een onvergetelijke speler. Nesci is terughoudend – luchtfietsers hou je altijd – maar wordt steeds enthousiaster als hij verder leest. Zaakwaarnemer Kascovic heeft hem een heel pak informatie gestuurd: een Wikipedia-pagina, een Facebook-account, een compilatievideo met highlights en nog wat websites.

Dexter Rosales is een slimme aanvaller met een neusje voor de goal, zo leest Nesci. De voetballer werd in 1987 geboren in Miami – bijgenaamd ‘The Magic City’ of ‘De Stad van de Eeuwige Midlife Crisis’. Hij speelde in de jeugd bij het Colombiaanse Atlético Junior en de Argentijnse topclub River Plate, waarna hij naar Europa trok. Bij Jong Ajax flitste hij door de beloftencompetitie heen: hij scoorde 21 keer in 17 wedstrijden.

Lou Nesci bekijkt de links die hij toegestuurd heeft gekregen nog eens wat beter. Er zijn een paar interessante nieuwsberichten: zo is er een artikel uit december 2011 waarin staat dat Rosales ongelukkig is bij Ajax en overweegt om terug te gaan naar Amerika. Ook wordt er gesteld dat Rosales een tijdje geleden zwaar geblesseerd is geraakt, maar volgens chirurg Carlos Rojas is de operatie van de aanvaller geslaagd. Dat de naam van de website, http://dexterrosalesleftajax.blogspot.com, er niet heel betrouwbaar uitziet en dat het verhaal bulkt van de fouten – de trainer van Ajax wordt bijvoorbeeld Franc de Boar genoemd, wat hoogstens zijn verkeerd gespelde bijnaam in Engeland zou kunnen zijn – valt Nesci niet op.

De zaakwaarnemer klikt op een link met een filmpje van Rosales en kan z’n ogen niet geloven. Het is een video die hoort bij een veelbelovende aanvaller: wervelende dribbels, doelpunten, assists en routineus gegeven schouderklopjes en high fives – zoals toekomstige voetballers kennelijk aangeleerd krijgen in de jeugdopleiding van een topclub – op de tonen van een EDM-nummer dat ergens in 2008 waarschijnlijk in een hitlijst stond. Dat de kwaliteit van de beelden zo slecht is dat de man in die ene bewegende pixel net zo goed Lionel Messi of Sergio Agüero zou kunnen zijn, deert Nesci niet. Hij is overtuigd: hij moet en zal Dexter Rosales naar Australië halen.

Nesci is niet gek: hij kent de zaakwaarnemer die hem de info heeft gestuurd niet, en hij heeft nog nooit eerder van de voetballer gehoord. Om zeker te weten dat hij niet geprankt wordt, neemt hij contact op met Joey Didulica. De oud-doelman speelde een aantal seizoenen bij Ajax en AZ en woont weer in zijn thuisland Australië. Nadat ze wat beleefdheden hebben uitgewisseld, komt Nesci ter zake.

‘Ken jij een Rosales die bij Ajax heeft gespeeld?’, vraagt hij aan zijn landgenoot. Die kent Didulica wel, hij is lyrisch over de buitenspeler. Technisch, snel, fel, een goede kop met haar: kortom, het hele pakket voor een potentiële topvoetballer. Nesci weet genoeg en hangt tevreden op. Wat hij op dat moment nog niet weet, is dat Didulica hem enthousiast heeft verteld over Mauro Rosales, de Argentijnse international met een Ajax-verleden.  
                               
De echte Mauro Rosales, foto via Flickr.

Nesci wordt in de dagen daarna bestookt met verzoeken van Dexter Rosales en zijn entourage en besluit om contact op te nemen met John Kosmina en Michael Petrillo, respectievelijk trainer en voetbaldirecteur van het Australische Adelaide United. Hij vertelt ze over de spectaculaire aanvaller die graag voor hun club wil spelen. Kosmina en Petrillo, die vertrouwen op Nesci’s oordeel, zijn direct enthousiast. Er wordt een afspraak gepland met kamp Rosales en Adelaide United kondigt trots aan dat Dexter een week lang stage komt lopen. Het bericht komt zelfs op de officiële website van de Australische A-League te staan.

Op de afgesproken dag staan de coaches en scouts klaar op het trainingsveld. Het gonst van de geruchten en verhalen op het trainingscomplex; het gebeurt niet dagelijks dat een speler met ervaring bij grote, Europese clubs komt opdraven. Na een paar minuten is er nog geen spoor van Rosales. Als hij een uur later nog niet is komen opdagen, voelen de vertegenwoordigers van Adelaide United nattigheid. Er wordt gebeld naar een woordvoerder van Ajax, die laat weten dat hij nog nooit heeft gehoord van ene Dexter (‘bedoel je niet Mauro? Of die gozer van die serie?’) Rosales.

Alles valt op z’n plek: Adelaide United is gruwelijk voor de gek gehouden. Als bekend wordt dat de club in een hoax is getrapt, verspreidt het nieuws zich razendsnel door de hele wereld, van Nederland tot Argentinië. Lou Nesci gaat diep door het stof voor zijn fout en schaamt zich kapot. Een paar weken eerder probeerde hij Filippo Inzaghi nog naar Australië te krijgen, nu moet hij uitleggen waarom hij een fantast met een Adobe Photoshop-proefpakket bijna aan een club heeft geholpen.

Adelaide United blijkt niet de enige club te zijn die in 2012 door Rosales is benaderd. Een maand eerder wilde Western Sydney Wanderers hem een stage aanbieden, nadat hij ze had gebombardeerd met een glad verkoopverhaal, een hoop statistieken – cijfers van doelpunten en assists, wellicht ergens nog een vermelding van zijn Expected Pranks (xP) – een PowerPoint-presentatie en zelfs medische rapporten. Uiteindelijk vertrouwde de club de mail niet en werd de stage afgeblazen.

Niet veel later vallen de puzzelstukjes langzaam in elkaar als Australische media ontdekken wie er achter de hoax zit: Dexter Rosa Monsalve, een Amerikaanse parttime DJ met een strafblad. Zijn agent heet Christopher Kascovic (juist ja, dezelfde achternaam als zijn voetbalzaakwaarnemer, maar dat is puur toeval, aldus Monsalve). Dexter is iemand die in het weekend nummers van Pitbull en David Guetta draait voor een halfdronken publiek en op werkdagen bezig is om een uit verzinsels opgebouwde droom te boetseren. Een man met een bierbuik die als DJ in obscure, zweterige clubs in Florida optreedt – tenminste, op een goede avond. Hij heeft nepblogs samengesteld waarin hij trainers en een chirurg citeert, foto’s van oud-Ajacied Mauro Rosales gebruikt en video’s en diverse profielen in elkaar geflanst. Als hij al die uren die hij besteedde aan het perfectioneren van zijn leugen op het trainingsveld had doorgebracht, had hij het best ver kunnen schoppen.

De grote vraag is: waarom? Waarom zou je al die moeite doen als je weet dat je vroeg of laat (lees: vroeg) snoeihard tegen de lamp loopt? Uit een interview met FourFourTwo blijkt dat Monsalve niet zomaar een overenthousiaste grappenmaker is, maar iemand die daadwerkelijk denkt voetballer te kunnen worden. Op z’n 25e, ja. Hij heeft inderdaad, zoals hij beweerde, bij Ajax gespeeld. Bij het inmiddels ter ziele gegane Ajax Orlando Prospects uit Florida, welteverstaan. Bovendien claimt hij met Edgar Davids te hebben gevoetbald en regelmatig stages bij grote clubs te hebben gelopen. ‘Toen merkte ik dat ik net zo goed, of soms zelfs beter was dan sommige professionals’, zegt hij. Volgens z’n zelfgemaakte pagina’s is hij overigens ook getrouwd met een Colombiaans model en heeft hij een eigen kledinglijn, maar dat terzijde.

Volgens Dexter Rosa Monsalve is het allemaal één groot misverstand. ‘Het grootste gedeelte van mijn biografie is waar, alleen heeft mijn zaakwaarnemer alles tot in het extreme overdreven’. Een belangrijk aspect waar zijn ‘zaakwaarnemer’ trouwens niets over heeft verteld, is het feit dat Monsalve in 2007 werd veroordeeld voor fraude en creditcard- en autodiefstal. Pseudovoetballer Dexter ontkent daarnaast alle verhalen dat hij zelf degene is die achter ‘zaakwaarnemer Dimitri Kascovic’ zit.

Jaren later is er nog steeds een hoop onduidelijk over Dexter Rosales. Na de overdaad aan publiciteit werd het stil rondom de nepvoetballer. Monsalve liet na het incident wel doodleuk weten nog steeds te hopen op een stage bij Adelaide United, zodat hij de club uiteindelijk kon helpen om de AFC Champions League te winnen. De Australiërs lieten die open uitnodiging wijselijk links liggen. In de jaren daarna is hij nergens meer opgedoken, al valt niet uit te sluiten dat hij een inspiratiebron is geweest voor andere oplichters en spookvoetballers. Dexter Rosales borg in 2012 zijn kicksen op na een enerverende – weliswaar geheel verzonnen – carrière.